ECLI:NL:CRVB:2019:180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid medische onderzoeken UWV bij WIA-uitkering
Appellant meldde zich op 3 september 2012 ziek met lichamelijke en later ook psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 12 augustus 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellant werd op 5 juni 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, omdat de medische onderzoeken door UWV-verzekeringsartsen zorgvuldig waren en er geen aanleiding was te twijfelen aan hun oordeel.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn psychische beperkingen, waaronder PTSS en paniekstoornis, onvoldoende waren meegewogen en dat hij ongeschikt was voor stressvol werk. Hij verwees naar een psychologisch rapport uit maart 2012. Het UWV stelde dat er geen recente medische onderbouwing was en dat appellant al jaren psychische klachten onder behandeling had, met uitgebreide medicatie.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig en gemotiveerd waren uitgevoerd, rekening houdend met de actuele psychische situatie van appellant. Het oudere psychologisch rapport was onvoldoende actueel voor de datum in geding (1 september 2014) en appellant bracht geen medische stukken aan die het tegendeel bewezen. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.