ECLI:NL:CRVB:2019:1689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering geweigerd wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant was chauffeur personenvervoer en viel in 2005 uit wegens rug- en beenklachten. Het UWV weigerde in 2007 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na meldingen van verslechtering in 2013 en 2015 weigerde het UWV opnieuw een uitkering, omdat geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de wachttijd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep stelde dat onvoldoende waarde was toegekend aan een onafhankelijk medisch advies en dat de klachten al eerder waren verergerd. Hij overlegde medische stukken van buitenlandse behandelaars en een ziekenhuis.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat geen toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak bestond binnen de relevante periode. De verzekeringsarts had alle beschikbare informatie inhoudelijk en overtuigend beoordeeld, waarbij het onafhankelijke advies onvoldoende aanleiding gaf tot twijfel. Medische informatie na de relevante periode bleef buiten beschouwing.
Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de wachttijd.