ECLI:NL:CRVB:2019:166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering geweigerd wegens niet voltooide wachttijd van 104 weken
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling wegens het ontbreken van benodigde informatie. Na bezwaar en een nieuw besluit behandelde het UWV de aanvraag inhoudelijk en concludeerde dat appellant niet voldeed aan de wachttijd van 104 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan de wachttijd had voldaan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij wel arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep toetste het bestreden besluit aan artikel 23 van Pro de Wet WIA en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was.