Uitspraak
17.1731 WIA
OVERWEGINGEN
4.4.De overwegingen onder 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig office manager, viel uit wegens lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 68,10% en kende haar een WGA-vervolguitkering toe. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zij volledig arbeidsongeschikt was en dat haar klachten niet juist waren beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellante bracht deze gronden in hoger beroep opnieuw naar voren, met verwijzing naar medische verklaringen, maar leverde geen nieuwe stukken die haar stellingen ondersteunden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat het niet uitmaakt of de klachten zwangerschapsgerelateerd zijn. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering juist is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.