ECLI:NL:CRVB:2019:1288
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling wegens onvoldoende bewijs oorlogsomstandigheden
Appellant, geboren in 1947, verzocht in april 2017 om een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees dit verzoek bij besluit van 22 augustus 2017 af omdat niet voldoende was aangetoond dat appellant in omstandigheden verkeerde die onder de AOR vallen. Appellant stelde dat hij onbewust schietpartijen had meegemaakt die nachtmerries en angsten veroorzaakten. Zijn neef bevestigde dat er tegenover hun woning beschietingen plaatsvonden door pogingen tot wapendiefstal bij een nabijgelegen kazerne.
De Raad onderzocht de verklaringen en beschikbare gegevens, waaronder relatiedossiers, het dossier van de neef en een koloniale kaart. Deze bronnen boden geen bevestiging van de door de neef genoemde beschietingen of het bestaan van een kazerne aan de betreffende locatie. Een ambtelijk advies dat de beschietingen als oorlogsgebeurtenissen accepteerde, werd door de Raad niet gevolgd omdat het slechts een advies betrof en de uiteindelijke beslissing aan verweerder toekomt.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de zin van de AOR in oorlogsomstandigheden heeft verkeerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand wegens onvoldoende bewijs van oorlogsomstandigheden.