ECLI:NL:CRVB:2019:1222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet wonen op opgegeven adres
Appellant diende op 15 augustus 2016 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees deze aanvraag bij besluit van 29 november 2016 af, omdat appellant onjuiste informatie had verstrekt over zijn woonadres, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de periode van 15 augustus 2016 tot en met 29 november 2016 woonde op het opgegeven adres. Appellant gaf tegenstrijdige verklaringen en kon zijn kamer niet tonen tijdens een huisbezoek. Ook werd de geloofwaardigheid van zijn stelling dat de verhuurder het slot had verwisseld, verworpen.
De rechtbank baseerde zich op de rapportage van 25 november 2016, de verklaring van appellant over het ontbreken van levensmiddelen en servies op zijn kamer, en bankafschriften waaruit bleek dat hij slechts één pintransactie in Arnhem had gedaan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van de aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt op het opgegeven adres te wonen.