ECLI:NL:CRVB:2019:1170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellant heeft meerdere keren bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet, waarbij hij verklaarde te zijn gestopt met zijn eigen bedrijf. Tijdens een onderzoek bleek dat appellant op alle marktdagen aanwezig was in de marktkraam van zijn dochter en daar hand- en spandiensten verrichtte, zoals het openen van de winkel en verkoop aan klanten. Deze werkzaamheden werden niet gemeld bij de aanvragen.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvragen af omdat appellant onvolledige inlichtingen had verstrekt en er sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden van appellant, ondanks dat hij hiervoor geen vergoeding ontving, wel op geld waardeerbaar zijn vanwege de commerciële aard en het terugkerende karakter. Appellant had dit moeten melden, zodat het college zijn recht op bijstand kon beoordelen. Ook de latere aanvragen werden afgewezen wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden.
De verzoeken om schadevergoeding en proceskosten werden afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en wees de hoger beroepen af.
Uitkomst: De bijstandsaanvragen van appellant worden afgewezen vanwege het niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden.