ECLI:NL:CRVB:2019:1091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep op grond van WUBO, WUV en AOR ongegrond verklaard
Appellante had beroep ingesteld tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO), Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Raad verklaarde deze beroepen niet-ontvankelijk omdat ze niet tijdig waren ingediend en oordeelde dat appellante in verzuim was.
Appellante stelde in verzet dat de late indiening te wijten was aan haar late kennisname van de mogelijkheid tot aanvragen en de nasleep van een verhuizing naar een andere woonplaats, waardoor zij niet eerder in staat was het beroep in te stellen. Tijdens de zitting verduidelijkte haar echtgenoot dat de verhuizing en de aanvragen in dezelfde periode plaatsvonden en dat appellante door vermoeidheid niet eerder kon handelen.
De Raad oordeelde echter dat appellante geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die het verzuim konden opheffen. Het feit dat zij een derde had kunnen inschakelen om haar belangen te behartigen, en het ontbreken van onderbouwing dat ook haar echtgenoot niet kon optreden, leidde tot de conclusie dat het verzet ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroepen wordt ongegrond verklaard.