Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1091

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2019
Publicatiedatum
29 maart 2019
Zaaknummer
18/3571 WUBO-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep op grond van WUBO, WUV en AOR ongegrond verklaard

Appellante had beroep ingesteld tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO), Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Raad verklaarde deze beroepen niet-ontvankelijk omdat ze niet tijdig waren ingediend en oordeelde dat appellante in verzuim was.

Appellante stelde in verzet dat de late indiening te wijten was aan haar late kennisname van de mogelijkheid tot aanvragen en de nasleep van een verhuizing naar een andere woonplaats, waardoor zij niet eerder in staat was het beroep in te stellen. Tijdens de zitting verduidelijkte haar echtgenoot dat de verhuizing en de aanvragen in dezelfde periode plaatsvonden en dat appellante door vermoeidheid niet eerder kon handelen.

De Raad oordeelde echter dat appellante geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die het verzuim konden opheffen. Het feit dat zij een derde had kunnen inschakelen om haar belangen te behartigen, en het ontbreken van onderbouwing dat ook haar echtgenoot niet kon optreden, leidde tot de conclusie dat het verzet ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroepen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 maart 2019
18/3571 WUBO-V, 18/3573 WUV-V, 18/3574 AOR-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van
20 september 2018 heeft de Raad de beroepen van appellante tegen de besluiten van verweerder van 21 februari 2018 niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 15 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot appellante]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 20 september 2018 berust op de overwegingen dat de beroepschriften niet tijdig zijn ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellante te kennen gegeven – voor zover van belang – dat er niet tijdig beroep is ingesteld omdat appellante pas laat op de hoogte was dat zij aanvragen kon doen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO), Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Door de nasleep van de verhuizing naar [woonplaats] was appellante niet in staat om eerder beroep in te stellen.
Ter zitting heeft de echtgenoot van appellante toegelicht dat de verhuizing naar Sliedrecht en de aanvragen voor de WUBO, WUV en AOR in dezelfde periode speelden. Appellante was erg vermoeid door de verhuizing en alles eromheen dat zij niet eerder in staat was beroep in te stellen.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Appellante had een derde kunnen inschakelen om haar belangen te behartigen. De ter zitting gedane mededeling dat de echtgenoot van appellante ook niet in staat is geweest om in die periode de belangen van appellante te behartigen is niet met stukken onderbouwd.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) M.A.A. Traousis

VC