Uitspraak
17.471 AOW, 17/472 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 216,- vergoedt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant 1 ontving vanaf 2012 een AOW-pensioen voor een ongehuwde en verleende zorg aan zijn geestelijk gehandicapte broer, appellant 2, die sinds 2013 bij hem woonde en onder curatele stond. De SVB kende appellant 2 een AOW-pensioen voor gehuwden toe en herzag het pensioen van appellant 1 dienovereenkomstig.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze besluiten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad constateert dat de SVB geen adequaat onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke situatie en dat de besluiten onvoldoende gemotiveerd en zorgvuldig voorbereid zijn.
De Raad beoordeelt dat hoewel appellanten samenwonen, niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. De financiële verstrengeling is beperkt en zakelijk van aard vanwege de curatele. Appellant 1 verleent eenzijdig zorg aan appellant 2, die handelingsonbekwaam is. Daarom is er geen sprake van gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in de AOW.
De Raad herroept de bestreden besluiten en bepaalt dat appellant 2 aanspraak heeft op een AOW-pensioen voor een ongehuwde vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd. Tevens veroordeelt de Raad de SVB in de proceskosten van appellanten en vergoedt het griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat appellant 2 aanspraak heeft op AOW-pensioen voor een ongehuwde vanaf 3 april 2015.