ECLI:NL:CRVB:2018:932

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2018
Publicatiedatum
29 maart 2018
Zaaknummer
16/8090 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7b AKWArt. 41b AKWVerordening (EG) nr. 883/2004Stb. 2014, 346
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging kinderbijslag wegens verblijf kind buiten Nederland conform gewijzigde AKW

Appellant ontving kinderbijslag voor zijn kind dat in de Filipijnen woont. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2016, omdat het kind niet meer in Nederland woonde. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat de beëindiging onterecht was en dat hij meer voorzieningen zou ontvangen als het kind in Nederland woonde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Wet herziening export kinderbijslag (in werking sinds 1 januari 2015) artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) had gewijzigd. Dit artikel bepaalt dat geen recht op kinderbijslag bestaat indien het kind niet in Nederland woont, tenzij het kind in een land woont waar op grond van EU-verordening recht op kinderbijslag bestaat.

Omdat het kind van appellant op de eerste dag van het eerste kwartaal 2016 niet in Nederland woonde en de Filipijnen niet onder de EU-verordening vallen, was het recht op kinderbijslag terecht beëindigd. Het Verdrag tussen Nederland en de Filipijnen inzake export van sociale verzekeringsuitkeringen was niet van toepassing op kinderbijslag sinds 1 juli 2015. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De kinderbijslag is terecht beëindigd per het eerste kwartaal van 2016 omdat het kind niet in Nederland woont.

Uitspraak

16/8090 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
1 december 2016, 16/1961 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 29 maart 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 8 september 2014 is aan appellant met ingang van het derde kwartaal van 2013 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend voor zijn in de Filipijnen wonende kind [naam kind], geboren [in] 2012.
1.2.
Na een aankondiging bij brief van 30 juni 2015 heeft de Svb bij besluit van
2 december 2015 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het eerste kwartaal van 2016 geen recht meer heeft op kinderbijslag voor [naam kind] omdat zij woont in de Filipijnen.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 6 april 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de Svb heeft gehandeld volgens de thans voor de export van kinderbijslag naar de Filipijnen geldende wet- en regelgeving door appellant niet langer in aanmerking te laten komen voor kinderbijslag per
1 januari 2016.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de beëindiging van zijn kinderbijslag in stand heeft gelaten en dat hij veel meer voorzieningen zou ontvangen als [naam kind] in Nederland woonde.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of het recht op kinderbijslag terecht met ingang van het eerste kwartaal van 2016 is beëindigd.
4.2.
Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening export kinderbijslag in werking getreden (Stb. 2014, 346). Met deze wet is onder meer artikel 7b van de AKW gewijzigd. Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:
1. Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde ten behoeve van het kind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin ten behoeve van hem op grond van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van
29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 166) recht op kinderbijslag bestaat.
4.3.
Vastgesteld wordt dat het kind van appellant op de eerste dag van het eerste kwartaal van 2016 niet in Nederland woont. Het bepaalde in het eerste lid van artikel 7b van de AKW leidt ertoe dat appellant daarom geen recht heeft op kinderbijslag. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan een beroep op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filipijnen inzake de export van sociale verzekeringsuitkeringen niet leiden tot een ander oordeel omdat kinderbijslagen per 1 juli 2015 niet meer onder de materiële werkingssfeer vallen van dat Verdrag. Op grond van artikel 41b van de AKW is daarna nog een overgangstermijn van twee kwartalen in acht genomen waarin appellant recht behield op kinderbijslag.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2018.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) R.H. Budde

OS