ECLI:NL:CRVB:2018:858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel in mei 2009 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluiten in 2011 en 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep verklaarden rechtbank en Centrale Raad van Beroep deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door decompensatie gedesoriënteerd raakt en daardoor niet kan werken, onderbouwd met psychiatrische rapporten en een ontheffing van de inburgeringsplicht. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek had verricht en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische gegevens, waaronder de psychiatrische rapporten, zorgvuldig had meegewogen.
De Raad verwierp het betoog over dissociatief gedrag omdat dit pas na de datum in geschil was vastgesteld en de behandelend psychiater dit gedrag niet had geconstateerd. Ook werd geoordeeld dat de ontheffing van de inburgeringsplicht geen doorslaggevende betekenis heeft bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
De aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst hield voldoende rekening met de beperkingen van appellant, en de arbeidsdeskundige concludeerde dat de voorgestelde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.