Uitspraak
16.4224 BBZ
OVERWEGINGEN
€ 7.867,15
€ 0,-
€ 7.867,15
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, waaronder een directeur-grootaandeelhouder (DGA), vroegen bijstand aan op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de periode mei tot en met juli 2013. Het college verleende een renteloze lening als inkomensaanvulling, met de mogelijkheid tot omzetting in een bedrag om niet afhankelijk van het vermogen en inkomen.
Na definitieve vaststelling van het inkomen over 2013 vorderde het college een bedrag van €7.867,15 terug omdat het netto inkomen hoger bleek dan de jaarnorm. Appellant stelde dat geen salaris was onttrokken aan de vennootschap, waardoor het resultaat ten goede kwam aan de onderneming en de berekening onjuist was.
De Raad oordeelde dat het college terecht rekening hield met het netto resultaat van de onderneming, waarbij de wijziging in loonbetaling geen invloed had op de definitieve vaststelling. Het feit dat appellant geen salaris onttrok deed niet af aan de berekening volgens het Bbz 2004. Ook de opgevraagde gegevens over 2014 en 2015 waren gericht op invordering en stonden los van het besluit.
Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de inkomensaanvulling heeft teruggevorderd omdat het netto inkomen hoger was dan de jaarnorm.