Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:724

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2018
Publicatiedatum
13 maart 2018
Zaaknummer
16/6571 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten na verhuizing zonder medische noodzaak

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtings- en stofferingskosten na verhuizing naar een zelfstandige woning. Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was, maar wenselijk, en appellant beschikte over geschikte huisvesting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege zijn woonsituatie en mogelijke negatieve invloed op zijn werk. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een medische noodzaak of urgentieverklaring was. Ook de omstandigheden zoals de kleine zolderkamer en relatie met de huisbaas waren onvoldoende om de verhuizing als noodzakelijk te kwalificeren.

De Raad bevestigde dat de kosten van woninginrichting niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet kunnen worden aangemerkt. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten na verhuizing wordt afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk was.

Uitspraak

16/6571 PW
Datum uitspraak: 6 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
9 september 2016, 15/4867 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
R. van Gelder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woonde van 27 juni 2013 tot 25 juni 2015 op het adres [Adres A] te [woonplaats]. Hij huurde daar een zolderkamer. Met ingang van 2 juli 2013 stond appellant ingeschreven als woningzoekende voor een andere woning. Vanaf 25 juni 2015 huurt appellant een zelfstandige woning aan de [Adres B] te [woonplaats].
1.2.
Appellant heeft op 22 juni 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten na verhuizing naar zijn nieuwe woning.
1.3.
Bij besluit van 6 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag voor de kosten van woninginrichting en stoffering afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een noodzakelijke verhuizing, maar van een wenselijke verhuizing. Appellant beschikte volgens het college over voor hem geschikte huisvesting. Het feit dat hij onvoldoende tot niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten wegens aflossing van een schuld wordt niet gezien als een bijzondere omstandigheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant, anders dan hij aanvoert, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was. Vaststaat dat er geen medische noodzaak was te verhuizen en dat appellant ook niet beschikte over een urgentieverklaring. Ook anderszins heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat een noodzaak tot verhuizing bestond. Het betoog dat hij op een kleine zolderkamer woonde, dat de verhouding met de huisbaas niet goed was en dat niet denkbeeldig was dat hij zijn baan zou verliezen als hij op die zolderkamer was blijven wonen, is daartoe niet voldoende. Dat sprake was van een onhoudbare situatie voor appellant heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Daartoe is onvoldoende dat zijn jobcoach van mening was dat zijn leefsituatie op de zolderkamer stress oplevert en uiteindelijk een negatieve invloed op zijn functioneren op het werk zou hebben, wat onwenselijk zou zijn. De kosten van stoffering en woninginrichting kunnen dan ook niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. De stelling van appellant dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de gevraagde kosten behoeft daarom geen verdere bespreking.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2018.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
getekend) A.M. Pasmans

HD