ECLI:NL:CRVB:2018:718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenbehandelingstelling bijstandaanvraag wegens onvoldoende gegevens
Appellant vroeg op 16 oktober 2014 bijstand aan en gaf een adres op. Het college verzocht hem meerdere malen om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften, maar hij leverde slechts een zorgverzekeringsbewijs aan. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet goed gehoord was, dat de rechtbankzitting niet eerlijk was vanwege afwezigheid van zijn advocaat, en dat de gevraagde gegevens niet nodig waren omdat hij eerder bijstand had ontvangen.
De Raad oordeelde dat het recht op hoor en wederhoor niet was geschonden, omdat appellant en zijn advocaat voldoende gelegenheid hadden gehad om hun standpunt toe te lichten, ook tijdens de hoorzitting. Het niet verschijnen van de advocaat bij de rechtbankzitting leidde niet tot schending van artikel 6 EVRM Pro. Verder was het niet aanleveren van bankafschriften terecht reden voor buitenbehandelingstelling, aangezien deze gegevens essentieel zijn voor beoordeling van de aanvraag. De klacht over het niet ontvangen van brieven faalde omdat appellant alsnog stukken had ingeleverd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de buitenbehandelingstelling van de bijstandaanvraag wegens het niet aanleveren van noodzakelijke bewijsstukken.