ECLI:NL:CRVB:2018:49
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA
Appellant meldde zich in december 2012 ziek met psychische klachten en vroeg in september 2014 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een loongerelateerde uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%, later verhoogd naar 80 tot 100%, maar stelde dat de beperkingen niet duurzaam zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep had vastgesteld dat verbetering mogelijk is indien appellant meewerkt aan behandeling. Appellant bracht geen medische gegevens aan die dit oordeel konden weerleggen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar bracht wederom geen nieuwe medische informatie in. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, benadrukkend dat door het ontbreken van medewerking aan behandeling objectivering van de situatie niet mogelijk is.
De Raad concludeerde dat appellant niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 Wet Pro WIA en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toegekende WGA-uitkering blijft van kracht omdat appellant niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is.