ECLI:NL:CRVB:2018:4294

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
7 januari 2019
Zaaknummer
17/5313 ZVW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant stelde in verzet dat sprake was van betalingsonmacht en dat het verzoek om vrijstelling van griffierecht onterecht was afgewezen.

De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen. Hoewel appellant in een andere procedure informatie had verstrekt over zijn inkomenssituatie, was deze informatie niet automatisch bruikbaar voor deze procedure. Appellant had de mogelijkheid gekregen om actuele informatie te verstrekken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 27 december 2018.

Uitkomst: Het verzet van appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 december 2018
17/5313 ZVW-V, 17/5314 ZVW-V, 17/5316 ZVW-V, 17/5320 ZVW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2017, 17/1087, 17/1236, 17/1819 en 16/6295 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 21 februari 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 november 2018, waar beide partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 21 februari 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant onder meer te kennen gegeven dat er sprake is van betalingsonmacht en dat het verzoek om vrijstelling van het griffierecht op oneigenlijke gronden is afgewezen. Appellant heeft er op gewezen dat de Raad al beschikt over de vereiste verklaringen en bijbehorende informatie over de inkomenssituatie van appellant.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Dat appellant in een andere procedure bij de Raad de voor die procedure benodigde informatie heeft verstrekt wil niet zeggen dat deze informatie ook gebruikt kan worden voor deze procedure. Appellant is door de Raad in gelegenheid gesteld de benodigde, actuele informatie te verstreken. Van deze mogelijkheid heeft appellant geen gebruik gemaakt.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) M.A.E. Lageweg

LO