Appellante was werkzaam als orderpikster en meldde zich ziek per 11 maart 2008. Het UWV stelde aanvankelijk een volledige arbeidsongeschiktheid vast, maar na een heronderzoek in 2013 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%, waarna dit werd teruggedraaid naar 57,8% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze vaststelling ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar concentratievermogen en energie veel lager waren dan door het UWV aangenomen, ondersteund door medische verklaringen. Een door de Raad ingeschakelde psychiater concludeerde dat er aanvullende beperkingen waren, maar liet de urenbeperking buiten zijn oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgde de deskundige deels, maar nam niet alle beperkingen over.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen adequaat heeft ingeschat en dat het resterende meningsverschil over het handelingstempo geen invloed heeft op de geschiktheid van de geselecteerde functies. Ook was er geen reden om de fysieke klachten zwaarder te wegen. De rechtbank heeft de juiste mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld, maar het besluit ontbrak aanvankelijk aan een deugdelijke motivering, wat echter niet tot nadeel van appellante leidde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante.