Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:4245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
2 januari 2019
Zaaknummer
17-7294 WAO-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Vervolgens heeft appellant verzet gedaan tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

Bij de zitting van 13 november 2018 waren partijen niet aanwezig. De Raad heeft ambtshalve onderzocht of het verzet ontvankelijk is. De termijn voor het indienen van het verzetschrift was verstreken; het verzetschrift werd te laat ontvangen. De Raad heeft appellant verzocht de reden van de termijnoverschrijding toe te lichten, maar er is geen reactie ontvangen.

Omdat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken, is het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van het verzet.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 december 2018
17/7294 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2017, 16/7094 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 14 maart 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 november 2018, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 14 maart 2018 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 25 april 2018. Het door appellant ingediende verzetschrift is op 30 mei 2018 ter post bezorgd en is op
8 juni 2018 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus overschreden.
Bij brief van 22 juni 2018 heeft de Raad bij appellant geïnformeerd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellant heeft daarop niet gereageerd.
Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) M.A.E. Lageweg

LO