Uitspraak
17.8098 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
hoogte van de dwangsom;
hoogte van de dwangsom betreft;
18 mei 2017;
van in totaal € 418,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP), verzocht om bevordering naar senior GGP. Dit verzoek werd op 11 juli 2013 afgewezen door de korpschef, een besluit dat later door de rechtbank werd bekrachtigd. In 2016 vroeg appellant opnieuw om bevordering, maar dit verzoek werd wederom afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De korpschef wees het bezwaar tegen deze afwijzing af en legde een dwangsom van €40,- op. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat er wel sprake was van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden, maar de Raad volgde dit niet. Er was onvoldoende bewijs dat de korpschef een gewijzigde gedragslijn had gevolgd of dat collega’s alsnog waren bevorderd.
Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte de hoogte van de dwangsom had vastgesteld op €40,- in plaats van €60,-, omdat de datum van bekendmaking in plaats van het besluitdatum had moeten gelden. De Raad vernietigde dit deel van de uitspraak en stelde de dwangsom op €60,- vast. Tevens veroordeelde de Raad de korpschef tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De korpschef mocht het afwijzende besluit handhaven; de dwangsom wordt vastgesteld op €60,- en de korpschef wordt veroordeeld in proceskosten.