ECLI:NL:CRVB:2018:4185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als medewerker linnenkamer en viel in 2009 uit wegens rug- en psychische klachten. Het UWV weigerde haar per 31 oktober 2011 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, hoewel zij niet meer geschikt was voor haar oorspronkelijke functie. Na diverse ziekmeldingen en uitkeringen op grond van de WW en Ziektewet, verzocht appellante in 2015 opnieuw om een WIA-uitkering. Het UWV besloot opnieuw geen WIA-uitkering toe te kennen, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies die voor appellante geschikt werden geacht adequaat waren gemotiveerd. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waarbij zij vooral haar psychische en lichamelijke klachten benadrukte.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek was zorgvuldig en hield rekening met alle klachten. Er waren geen nieuwe objectieve medische gegevens die het standpunt van appellante ondersteunden. De Raad concludeerde dat appellante geschikt is voor de voorgestelde functies en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.