ECLI:NL:CRVB:2018:3960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld op grond van geen medische belemmeringen voor arbeid
Appellant was werkzaam als bestrater en meldde zich ziek met psychische klachten tijdens een WW-uitkering. Na afloop van de WW-uitkering werd appellant ziekengeld toegekend op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant geen beperkingen had die hem belemmerden in zijn arbeid en beëindigde het ziekengeld per 19 oktober 2015. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen relevante aspecten over het hoofd zag. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten, gerelateerd aan de ziekte van Lyme, nog steeds aanwezig waren en verzocht om een onafhankelijke deskundige. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad overwoog dat op grond van de Ziektewet recht op ziekengeld bestaat bij ongeschiktheid tot arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. De Raad onderschreef de eerdere overwegingen dat appellant geen medische gegevens had overgelegd die een andere conclusie rechtvaardigen. Er was geen sprake van een actieve besmetting of medische hulp rond de datum van beëindiging. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan noodzakelijke twijfel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd wegens het ontbreken van medische belemmeringen om arbeid te verrichten.