ECLI:NL:CRVB:2018:3878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%
Appellant ontving een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA, aanvankelijk gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Na een herbeoordeling door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid 54,50% bedroeg, wat leidde tot een verlaging van de vervolguitkering naar de klasse van 45 tot 55%. Appellant maakte bezwaar, dat gegrond werd verklaard, waarna de vervolguitkering opnieuw werd vastgesteld op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% met een mate van 63,01%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische grondslag voldoende was gemotiveerd. Het standpunt van appellant dat zijn combinatie van psychische en cardiologische klachten een medische urenbeperking rechtvaardigt, werd niet onderschreven. De medische geschiktheid voor de geselecteerde functies was eveneens adequaat gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen waren onderschat en dat een medische urenbeperking noodzakelijk was. De Raad stelde vast dat appellant geen nieuwe medische informatie had ingediend ter ondersteuning van dit standpunt. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat de geschiktheid voor de geselecteerde functies afdoende was gemotiveerd.
Het hoger beroep werd verworpen en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten van appellant. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 december 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant recht heeft op een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.