ECLI:NL:CRVB:2018:3830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden voor familiebedrijf
Appellant heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Breda bijstand ontvangen. Het college heeft deze bijstand met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken en over de periode tot en met 30 november 2015 teruggevorderd vanwege het niet melden van werkzaamheden.
Appellant verrichtte werkzaamheden voor de stomerij van zijn broer, maar heeft dit niet gemeld aan het college, in strijd met de inlichtingenverplichting. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze werkzaamheden niet zeer beperkt of verwaarloosbaar waren en dat het niet relevant is of appellant daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen. De werkzaamheden overstijgen het karakter van een familiedienst en hadden gemeld moeten worden.
Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.