ECLI:NL:CRVB:2018:3830

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2018
Publicatiedatum
30 november 2018
Zaaknummer
17/3541 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden voor familiebedrijf

Appellant heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Breda bijstand ontvangen. Het college heeft deze bijstand met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken en over de periode tot en met 30 november 2015 teruggevorderd vanwege het niet melden van werkzaamheden.

Appellant verrichtte werkzaamheden voor de stomerij van zijn broer, maar heeft dit niet gemeld aan het college, in strijd met de inlichtingenverplichting. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze werkzaamheden niet zeer beperkt of verwaarloosbaar waren en dat het niet relevant is of appellant daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen. De werkzaamheden overstijgen het karakter van een familiedienst en hadden gemeld moeten worden.

Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

17.3541 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2016, 16/3973 T (aangevallen tussenuitspraak), en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 april 2017, 16/3973 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 27 november 2018
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: C.A.E. Bon
Voor appellant is mr. F. Ergec, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A.A. Govers.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het college heeft terecht de bijstand van appellant met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken en over de periode van 10 juni 2015 tot en met 30 november 2015 teruggevorderd.
2. Appellant heeft in strijd met de inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden voor de stomerij van zijn broer. Deze werkzaamheden zijn niet zeer beperkt of qua omvang verwaarloosbaar, gelet op de verklaring van appellant van 10 december 2015. De werkzaamheden zijn ook op geld waardeerbaar, waarbij geen rol speelt of appellant dat heeft erkend. Ook is niet van belang of appellant daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen. De werkzaamheden overstijgen het karakter van een (familie)dienst. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat die werkzaamheden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en derhalve aan het college dienden te worden gemeld.
3. Het hoger beroep slaagt niet.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.A.E. Bon (getekend) M. Hillen
md