ECLI:NL:CRVB:2018:3785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was productiemedewerkster en meldde zich ziek wegens psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 1 augustus 2013 een voorschot op de WIA-uitkering toe. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en beëindigde het het voorschot per 15 september 2015.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de arbeidskundige gronden niet waren betwist. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar beperkingen waren onderschat en bracht een nieuw arbeidsmedisch expertiserapport in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat het nieuwe rapport geen aanleiding gaf tot twijfel aan de eerdere bevindingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat het rapport van de LEB onvoldoende onderbouwing gaf voor een ernstigere beoordeling op de datum in geding. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot beëindiging van het voorschot op de WIA-uitkering per 15 september 2015 wordt bevestigd.