ECLI:NL:CRVB:2018:3655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies bevestigd
Appellant, voormalig heftruckchauffeur, meldde zich ziek met hartklachten en psychische problemen. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies, waarop zijn Ziektewetuitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant in staat was tot arbeid.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten en voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat, mede door medicatie en psychische klachten. Hij verzocht om benoeming van een deskundige, verwijzend naar het arrest Korošec. De Raad toetste de zaak aan de criteria van zorgvuldigheid, equality of arms en inhoudelijke beoordeling.
De Raad oordeelde dat de medische informatie van appellant onvoldoende aanleiding gaf om twijfel aan de beoordeling van het UWV te rechtvaardigen. De informatie van een begeleider was niet medisch en betrof een latere periode. De verzekeringsarts had de belastbaarheid adequaat gemotiveerd. Daarom werd het verzoek tot deskundigenbenoeming afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat appellant per 14 september 2015 geschikt was voor zijn arbeid en geen recht meer had op Ziektewetuitkering. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering omdat hij geschikt is voor de bij WIA-beoordeling geselecteerde functies.