Uitspraak
17.7107 WUBO
mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft in 2008 een aanvraag ingediend voor toekenning op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), welke is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van beroep wegens termijnoverschrijding, verzocht appellant in 2016 om herziening van de afwijzing. Dit verzoek werd eveneens afgewezen omdat geen nieuwe feiten of gegevens waren aangevoerd die aanleiding gaven tot herziening.
Appellant stelde in beroep dat op grond van het gelijkheidsbeginsel tussen broers ('sibling equality') aangenomen moest worden dat hij oorlogsgeweld had ondergaan, gelijk aan zijn broer die wel erkend was. De Raad oordeelde dat de oorlogsomstandigheden van appellant duidelijk verschilden van die van zijn broer, die tijdens beschietingen brandwonden opliep, een gebeurtenis waarbij appellant niet aanwezig was.
De Raad concludeerde dat verweerder de discretionaire bevoegdheid tot herziening terecht niet had uitgeoefend, omdat geen nieuwe feiten waren ingebracht die het eerdere besluit in een ander licht plaatsten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek Wubo wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van nieuwe relevante feiten.