ECLI:NL:CRVB:2018:3528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs financiële situatie
Appellant heeft een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen vanwege onduidelijkheid over de herkomst van kasstortingen op zijn bankrekening. Uit bankafschriften bleek dat appellant in de periode van mei 2015 tot april 2016 elf stortingen ontving ter waarde van €5.690,- waarvan hij de herkomst niet aannemelijk kon maken.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij alle benodigde informatie had verstrekt, dat hij de stortingen nodig had om in leven te blijven en dat hij een verklaring van zijn ex-partner kon overleggen ter bevestiging dat zij hem had onderhouden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid in beginsel bij de aanvrager ligt. Omdat appellant geen bewijsstukken overlegde die zijn stelling ondersteunden dat de stortingen giften van zijn ex-partner waren, kon het college het recht op bijstand niet vaststellen. Het college had tijdens de hoorzitting aangegeven welke bewijsstukken nodig waren, maar appellant had nagelaten deze te overleggen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid.