ECLI:NL:CRVB:2018:3484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit van ten minste 65% van maatmaninkomen
Appellant was werkzaam als fulltime bakker/productiewerker en meldde zich ziek met been- en voetklachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant met beperkingen ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde daarom zijn Ziektewetuitkering per 14 december 2014.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat onder meer zijn energieverlies, concentratieproblemen en longklachten onvoldoende waren meegewogen en dat een duurbeperking had moeten worden aangenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren zonder nieuwe medische informatie aan te dragen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.