ECLI:NL:CRVB:2018:3477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd in hoger beroep
Appellant was postsorteerder en meldde zich ziek met rug- en knieklachten na een bedrijfsongeval. Het UWV stelde vast dat appellant met beperkingen nog 93,85% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom de ZW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen medische gronden waren om het standpunt van het UWV te betwijfelen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en bracht nieuwe medische verklaringen in, waaronder van een psychiater. De Centrale Raad van Beroep concludeerde echter dat deze informatie geen nieuwe feiten bevatte die aanleiding geven het eerdere oordeel te herzien. De Raad volgde het oordeel dat de functies passend zijn en dat appellant in staat is loonvormende arbeid te verrichten.
Het verzoek om een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek werd afgewezen wegens gebrek aan relevante nieuwe informatie. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellant medisch geschikt is voor de functies waarop de beoordeling is gebaseerd. Het hoger beroep werd afgewezen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellant medisch geschikt is voor passende functies en meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.