ECLI:NL:CRVB:2018:3456

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2018
Publicatiedatum
5 november 2018
Zaaknummer
18/4726 PW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens niet betalen griffierecht

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van artikel 8:81 Awb Pro met een verzoek om voorlopige voorziening. Hij vroeg tevens vrijstelling van betaling van het griffierecht op basis van een inkomensverklaring uit 2016. De Raad heeft om recente financiële gegevens gevraagd, maar verzoeker heeft deze niet verstrekt.

De griffier heeft het verzoek om vrijstelling van het griffierecht voorlopig afgewezen omdat de gevraagde recente inkomensspecificaties ontbraken. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het griffierecht uiterlijk vóór de zitting betaald moest zijn, waarbij verzoeker is gewezen op de gevolgen van niet-betaling.

Verzoeker heeft het griffierecht niet voldaan en het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter oordeelde dat de oude inkomensverklaring onvoldoende is om betalingsonmacht vast te stellen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen griffierecht.

Uitspraak

18.4726 PW-VV

Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)
Datum uitspraak: 30 oktober 2018
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van het bepaalde in
artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2018. Verzoeker is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zijn onder meer de artikelen 8:81 en 8:82 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.1.
Ingevolge artikel 8:81 in Pro samenhang met artikel 8:104 van Pro de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.
1.2.
Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, derde lid, is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht in beginsel twee weken bedraagt.
2. Appellant heeft bij brief van 25 augustus 2018 verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht, met verwijzing naar een ‘Verklaring geregistreerd inkomen 2016’ van de Belastingdienst. Daarop heeft de Raad bij brief van 31 augustus 2018 aan appellant gevraagd om een uitkerings- of salarisspecificatie over de maand juli of augustus 2018. Bij brief van 4 september 2018 heeft appellant in reactie hierop gesteld dat de door hem overgelegde inkomensverklaring (over 2016) nog actueel is. Hij heeft daarbij verzocht om aan de hand van de overgelegde inkomensverklaring te beoordelen of hij voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking komt.
3. Bij brief van 14 september 2018 heeft de griffier van de Raad het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht voorlopig afgewezen, omdat appellant de gevraagde uitkerings- of salarisspecificatie over de maand juli of augustus 2018 niet heeft verstrekt.
4. Bij brief van 14 september 2018 heeft de voorzieningenrechter, in afwijking van het gestelde in de aan hem toegezonden nota voor het griffierecht van € 126,- dat binnen
twee weken moet worden voldaan, met toepassing van artikel 8:82, derde lid, in verbinding met artikel 8:108 van Pro de Awb bepaald dat het griffierecht uiterlijk vóór de zitting (op vrijdag 28 september 2018 om 14:00 uur) moet zijn betaald. Daarbij is appellant erop gewezen dat het niet of niet op tijd betalen van het griffierecht ertoe kan leiden dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaart.
5. Appellant heeft bij brief van 15 september 2018 gereageerd op de onder 4 genoemde brief van de Raad van 14 september 2018. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het niet aan de griffier, maar aan de behandelend rechter is om te bepalen of aan de voorwaarden voor vrijstelling is voldaan.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht af. Appellant heeft desgevraagd geen recente financiële gegevens overgelegd, zodat de door hem gestelde betalingsonmacht niet kan worden vastgesteld. De overgelegde inkomensverklaring over 2016 kan niet worden aangemerkt als een recent financieel gegeven.
7. Appellant heeft het griffierecht niet vóór de zitting voldaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2018.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) F. Demiroǧlu

LO