ECLI:NL:CRVB:2018:3390

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2018
Publicatiedatum
30 oktober 2018
Zaaknummer
18-2104 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 5 PWArt. 15 PWArt. 16 PWArt. 35 PW
Verwijzingen
11 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor medische, kleding- en woonkosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellante, bijstandsgerechtigde en eigenaar van haar woning, vroeg bijzondere bijstand aan voor medische kosten, kleding, schoeisel en woonlasten. Het college wees dit af, onder meer omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt voor medicatie en er geen bijzondere omstandigheden waren voor kleding en woonkosten.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Zvw inderdaad een passende voorliggende voorziening is voor medicatiekosten, en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij recht had op bijzondere bijstand voor testosteronpreparaten. Voor kleding en schoeisel ontbraken objectieve gegevens die de noodzaak van meerkosten aantonen. Ook voor woonkosten was geen sprake van bijzondere omstandigheden, mede omdat appellante geen aantoonbare pogingen had gedaan om goedkopere woonruimte te vinden.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Uitspraak

18.2104 PW

Datum uitspraak: 30 oktober 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 maart 2018, 17/6262 (aangevallen uitspraak), en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.J.E. Loontjens, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Loontjens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H.J.M. van der Zanden.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Appellante is eigenaar van een door haar en haar pleegzoon bewoonde woning.
1.2.
Appellante heeft op 25 september 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van kleding, schoeisel, medicatie en woonkosten. Bij besluit van 21 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 april 2016, heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat sprake is van een herhaalde aanvraag. Bij uitspraak van
19 januari 2017 (16/2877) heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 1 april 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.3.
Bij besluit van 3 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een passende en toereikende voorliggende voorziening is voor de kosten van medicatie. Aan de afwijzing voor de kosten van kleding heeft het college ten grondslag gelegd dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen en dat niet vaststaat dat sprake is van meerkosten. Voor de afwijzing van de gevraagde bijstand voor woonkosten heeft het college het standpunt ingenomen dat appellante ten minste driemaal te kennen heeft gegeven niet voornemens te zijn te voldoen aan de verplichting om naar vermogen te trachten goedkopere woonruimte te vinden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Kosten van medicatie
4.1.
Gelet op de toelichting van de gemachtigde van appellante ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat de Zvw een voorliggende voorziening is voor de kosten van medicatie in de zin van artikel 5, aanhef en onder e, van de PW. Appellante heeft, kort gezegd, aangevoerd dat zij toch recht heeft op bijzondere bijstand voor deze kosten omdat zij op grond van de Zvw niet in aanmerking komt voor vergoeding van de door haar benodigde testosteronpreparaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW strekt het recht op bijstand zich niet uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten, kan het bijstandverlenend orgaan daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3948) dient voor de kosten van geneesmiddelen de Zvw als een aan de Wet werk en bijstand (WWB) voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. In gevallen waarin kostensoorten niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening in de weg. Deze rechtspraak heeft zijn gelding onder de PW behouden. Dit wettelijk voorschrift staat ook in dit geval, waarin het gaat om de vergoeding van de kosten van de door appellante gewenste medicatie, in beginsel aan bijstandsverlening in de weg.
4.4.
Artikel 16, eerste lid, van de PW biedt de mogelijkheid om in afwijking van onder meer artikel 15 van Pro de PW, bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) is van zeer dringende redenen slechts sprake in geval van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Het door appellante ter zitting ingenomen standpunt dat zij zeer ernstige gezondheidsklachten krijgt als ze de testosteronpreparaten niet krijgt, is niet nader onderbouwd. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW is daarom geen sprake.
Meerkosten kleding en schoeisel
4.5.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.6.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.7.
Het gaat hier om periodieke algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. In geval er een medische of (psycho) sociale indicatie is, kunnen noodzakelijke meerkosten - als daarvoor geen voorliggende voorziening bestaat - in beginsel voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Van meerkosten in dit verband kan sprake zijn als de kosten zo hoog oplopen dat deze de normale kosten overstijgen. Het is in een dergelijk geval aan de aanvrager aannemelijk te maken dat deze kosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien en niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.8.
Appellante heeft aangevoerd dat de bijzondere omstandigheden eruit bestaan dat zij door haar postuur is aangewezen op op maat gemaakte beha’s en schoenen en dat zij de kosten voor deze artikelen niet uit de bijstand kan voldoen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
4.9.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij kosten voor kleding en schoeisel heeft moet maken die uitstijgen boven het in de bijstandsnorm begrepen bedrag voor deze kosten. Uit de door appellante overgelegde verklaring van lingeriewinkel [naam winkel] van 12 september 2016 blijkt slechts dat in die winkel geen beha’s worden verkocht die passen bij de borstomvang van appellante en dat daarom wordt geadviseerd om een beha op maat te laten maken. Appellante heeft hiermee niet de noodzaak noch de hoogte van de (meer)kosten van een op maat gemaakte beha aannemelijk gemaakt, nog daargelaten of, als zij dat wel aannemelijk zou hebben gemaakt, sprake zou zijn van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. De stelling van appellante dat haar borsten meer naar de zijkant van haar lichaam zitten, waardoor zij aangewezen is op maat gemaakte beha’s, leidt al niet tot een ander oordeel, omdat zij deze stelling niet heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Verder kan uit de verklaring van [naam schoenenwinkel] van 12 september 2016 dat in die winkel geen damesschoenen maat 46 met een g-leest worden verkocht en dat ook niet bekend is dat deze ergens in [woonplaats] te koop zijn, niet worden afgeleid dat een noodzaak bestaat tot op maat gemaakte schoenen. Dit, nog daargelaten of als die noodzaak er wel zou zijn, sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. Evenmin kan hieruit worden afgeleid wat de hoogte van de (meer)kosten van op maat gemaakte schoenen is.
Woonkosten
4.10.
Het college hanteert het beleid dat bijzondere bijstand voor woonkosten in bijzondere gevallen mogelijk is. Blijkens de gedingstukken gaat het bijvoorbeeld om de situatie dat sprake is van een eigen woning met hoge woonlasten en een onvoorziene terugval in het inkomen. In het beleid is bepaald dat de toekenning van de woonkostentoeslag tijdelijk is en dat aan de bijstandsverlening een verhuisplicht wordt gekoppeld.
4.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze kosten noodzakelijk zijn. De vraag die ter beantwoording voorligt is of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
4.12.
Op 28 februari 2014 is appellante verhuisd naar de woning aan de [adres] .
Niet in geschil is dat appellante al op het moment van de verhuizing naar [adres] niet zelfstandig in staat was om de woonlasten te betalen, maar niettemin de woning heeft betrokken en er is blijven wonen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verkoop van de woning in de periode voor de aanvraag niet mogelijk was. Voor zover appellante hiervoor niet heeft gekozen met het oog op een eventuele restschuld komen de gevolgen van die keuze voor haar rekening. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij zich heeft laten inschrijven als woningzoekende. Dat appellante niet kon verhuizen omdat zij door de zorg voor haar autistische pleegzoon een aangepaste woning nodig heeft, laat onverlet dat appellante geen aantoonbare pogingen heeft ondernomen om voor een dergelijke huurwoning in aanmerking te komen.
4.13.
Uit 4.12 volgt dat het college op goede gronden heeft besloten dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
4.14.
Uit 4.1 tot en met 4.4, 4.9 en 4.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2018.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) J. Tuit

MD