Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant stelde in verzet dat hij de eerste brief over de betaling niet had ontvangen en dat hij vanwege zijn minimuminkomen de betaling in twee termijnen wilde voldoen, wat volgens hem afweek van de vaste praktijk.
De Raad overwoog dat het griffierecht volgens artikel 8:41, vijfde lid, Awb binnen vier weken na verzending van de mededeling moet zijn betaald. De praktijk van een voorafgaande gewone post uitnodiging is bedoeld om bewijsrisico te beperken. Appellant had binnen de betalingstermijn om uitstel kunnen verzoeken, maar dit niet gedaan.
Omdat appellant geen feiten of omstandigheden aanvoerde die het verzuim konden opheffen, werd het verzet ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht van €124,- wordt terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt terugbetaald.