ECLI:NL:CRVB:2018:3282

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2018
Publicatiedatum
23 oktober 2018
Zaaknummer
17/7402 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant stelde in verzet dat hij de eerste brief over de betaling niet had ontvangen en dat hij vanwege zijn minimuminkomen de betaling in twee termijnen wilde voldoen, wat volgens hem afweek van de vaste praktijk.

De Raad overwoog dat het griffierecht volgens artikel 8:41, vijfde lid, Awb binnen vier weken na verzending van de mededeling moet zijn betaald. De praktijk van een voorafgaande gewone post uitnodiging is bedoeld om bewijsrisico te beperken. Appellant had binnen de betalingstermijn om uitstel kunnen verzoeken, maar dit niet gedaan.

Omdat appellant geen feiten of omstandigheden aanvoerde die het verzuim konden opheffen, werd het verzet ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht van €124,- wordt terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt terugbetaald.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2018
17/7402 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Den Haag van 2 oktober 2017, 17/3327 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 21 maart 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 september 2018. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 21 maart 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 3 januari 2018 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant gesteld dat hij de brief van 1 december 2017, waarbij hij er voor de eerste maal op is gewezen dat hij een bedrag van € 124,- aan griffierecht moet voldoen, niet heeft ontvangen. Slechts de aangetekend verzonden betalingsherinnering van 3 januari 2018 heeft hem bereikt. Ten onrechte is in zijn situatie afgeweken van de vaste praktijk dat twee maal een termijn van achtentwintig dagen geboden wordt om het griffierecht te voldoen. Gezien zijn minimum inkomen is het voor hem niet mogelijk het griffierecht in één keer te voldoen en heeft hij de twee termijnen nodig.
Appellant heeft in verzet geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Ingevolge artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb dient het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Dat in de praktijk aan de aangetekend verzonden uitnodiging tot betaling van het griffierecht een per gewone post verzonden uitnodiging voorafgaat houdt verband met het bewijsrisico dat verbonden is aan het per gewone post verzenden van een uitnodiging. Binnen de betalingstermijn van vier weken had appellant kunnen verzoeken om uitstel van betaling. Vast staat dat appellant daarom niet heeft verzocht.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht van € 124,- zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- door de griffier van de
Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) C.A.E. Bon
ew