ECLI:NL:CRVB:2018:3235

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2018
Publicatiedatum
19 oktober 2018
Zaaknummer
17/2038 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek herziening griffierecht geweigerd

Verzoekers hebben een verzoek tot herziening ingediend dat niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug was partij in de procedure.

Verzoekers maakten bezwaar tegen deze beslissing en stelden dat het gehanteerde criterium voor betalingsonmacht onjuist was toegepast en in strijd was met artikel 6 EVRM Pro, dat de toegang tot de rechter waarborgt. Zij voerden aan dat het criterium van de beslagvrije voet toegepast had moeten worden in plaats van het gehanteerde criterium van 90% van de bijstandsnorm.

De Raad oordeelde dat het criterium van 90% van de bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling, correct is en dat verzoekers, die samen een bijstandsuitkering naar gehuwdennorm ontvingen, niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoen. Daarom is het beroep op betalingsonmacht terecht afgewezen en het verzet ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2018
17/2038 WWB-V, 17/2039 WWB-V, 17/2040 WWB-V, 17/2041 WWB-V, 17/2043 WWB-V,17/2044 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 januari 2013, 11/7104, 11/7106, 12/5562, 12/5563, 12/6653, 12/6654
Partijen:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] te [woonplaats] (verzoekers)
het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug
(dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met
artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van 13 maart 2018 heeft de Raad het door verzoekers ingediende verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekers hebben verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 september 2018. [verzoeker 1] is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 13 maart 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekers niet in verzuim zijn geweest.
Voorafgaand aan de uitspraak van 13 maart 2018 is het door verzoekers gedane beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht afgewezen, omdat uit de door verzoekers overgelegde stukken blijkt dat zij niet aan de daaraan geldende criteria voldoen.
In verzet hebben verzoekers - samengevat weergegeven - te kennen gegeven dat het door de Raad gehanteerde criterium bij de beoordeling van de vraag of een betrokkene in aanmerking komt voor vrijstelling van het griffierecht in verband met betalingsonmacht geen correcte toepassing is van de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282. Voor zover dat criterium wel een juiste toepassing is van deze uitspraak leidt deze toepassing naar de mening van verzoekers tot schending van de toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zou moeten worden uitgegaan van het criterium van de beslagvrije voet.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, geoordeeld dat bij onvoldoende financiële draagkracht heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 van Pro het EVRM kan in deze situatie niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het griffierecht worden verleend. De Raad heeft voor die gevallen beslist welke criteria in bestuursrechtelijke zaken gehanteerd worden bij een beroep op betalingsonmacht. Om voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking te komen moet een rechtzoekende aannemelijk maken dat zijn maandelijkse netto-inkomen minder bedraagt
dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang.
Vaststaat dat verzoekers bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Verzoekers ontvingen samen op het moment dat zij griffierecht verschuldigd waren, per maand
€ 1.333,78 aan uitkering. Daarbij is niet van belang of verzoekers samen een verzoek om herziening indienen dan wel of zij individueel een dergelijk verzoek doen. In beide gevallen doet zich de situatie voor dat beide verzoekers gezamenlijk in aanmerking zijn gebracht voor bijstand naar de norm voor gehuwden. Anders dan verzoekers menen leidt de aangehaalde uitspraak van 13 februari 2015 er niet toe dat in hun situatie voor elk van verzoekers moet worden uitgegaan van een inkomen gebaseerd op de helft van de gehuwdennorm dan wel van het door verzoekers genoemde criterium van de beslagvrije voet.
Met de genoemde uitspraak van 13 februari 2015 heeft de Raad zich expliciet uitgesproken over het in acht te nemen criterium bij de beoordeling van de vraag wanneer een situatie van betalingsonmacht een belemmering vormt van het verdragsrechtelijk gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Er bestaat geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Raad bij uitspraak van 13 februari 2015 heeft gedaan.
Op basis hiervan voldoen verzoekers niet aan de criteria voor betalingsonmacht en is het beroep op betalingsonmacht terecht afgewezen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) C.A.E. Bon

IJ