ECLI:NL:CRVB:2018:3229

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2018
Publicatiedatum
19 oktober 2018
Zaaknummer
17/7247 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant voerde betalingsonmacht aan, maar dit beroep werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de criteria daarvoor.

Appellant deed vervolgens verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting ter behandeling van het verzet waren beide partijen niet aanwezig. De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die konden rechtvaardigen dat hij niet in verzuim was geweest met de betaling van het griffierecht.

Gezien de overgelegde stukken en de jurisprudentie werd het beroep op betalingsonmacht opnieuw verworpen. Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd op 19 oktober 2018 in het openbaar gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2018
17/7247 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2017, 16/2683 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 10 april 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 september 2018, waar beide partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 10 april 2018 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 12 december 2017 gestelde termijn is betaald, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Voorafgaand aan de uitspraak van 10 april 2018 is het door appellant gedane beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht afgewezen, omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat hij niet aan de daaraan geldende criteria voldoet.
In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hij een minimaal inkomen heeft en geen griffierecht kan betalen.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Gelet op de overgelegde stukken en de in de rechtspraak ontwikkelde criteria is het beroep op betalingsonmacht terecht afgewezen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) C.A.E. Bon

MD