ECLI:NL:CRVB:2018:3228
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant voerde betalingsonmacht aan, maar voldeed niet aan de daarvoor geldende criteria. Vervolgens deed appellant verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring en gaf aan alsnog het griffierecht te willen betalen en een peiljaarverlegging te hebben verzocht.
Tijdens de zitting ter behandeling van het verzet waren beide partijen niet aanwezig. De Raad heeft overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het verzuim bij de betaling van het griffierecht zouden kunnen opheffen. Zowel de inkomensverklaring van het peiljaar 2015 als recente uitkeringsspecificaties tonen aan dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen.
De Raad stelt vast dat het wettelijke stelsel geen ruimte biedt om appellant een nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht te geven. Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van het verzet.
Uitkomst: Het verzet van appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.