ECLI:NL:CRVB:2018:3141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering ten onrechte beëindigd wegens onderschatting beperkingen
Appellante viel in 2010 uit wegens gezondheidsklachten en ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Na een herbeoordeling in 2014 en 2015 beëindigde het UWV de uitkering omdat werd vastgesteld dat zij volledig arbeidsgeschikt was. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar psychische klachten, waaronder een depressieve stoornis en PTSS, onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medische onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren ingeschat. In hoger beroep stelde appellante dat de psychische problematiek sinds 2009 bestond en sinds 2015 was verergerd, met diagnoses van diverse psychologen en psychiaters die dit bevestigden. Ook stelde zij dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de beperkingen van appellante had onderschat, mede op basis van medische rapporten die een chronische depressie en PTSS bevestigen vanaf april 2015. Een verzekeringsarts stelde in 2017 vast dat appellante per 1 september 2015 volledig arbeidsongeschikt was. De Raad concludeerde dat appellante op 3 juni 2015 onverkort volledig arbeidsongeschikt was en dat het besluit tot beëindiging van de uitkering onvoldoende gemotiveerd was.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit tot beëindiging van de uitkering en bepaalt dat de uitkering blijft doorlopen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt vernietigd en de uitkering blijft doorlopen.