ECLI:NL:CRVB:2018:2887

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 september 2018
Publicatiedatum
21 september 2018
Zaaknummer
17/1440 AOW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing AOW-uitkering wegens ontbreken woon- of werkperiode echtgenoot in Nederland tijdens huwelijk

Appellante diende op 21 december 2015 een aanvraag in voor een AOW-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag op 9 maart 2016 af omdat appellante niet verzekerd was voor de AOW. Hoewel haar overleden echtgenoot in het verleden verzekerd was, was appellante nog niet met hem gehuwd in die periode.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij geen recht had op AOW omdat zij zelf niet in Nederland had gewoond of gewerkt en niet had aangetoond dat haar echtgenoot tijdens hun huwelijk in Nederland woonde of werkte.

In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op AOW omdat zij sinds 1 november 1977 gehuwd was met haar echtgenoot, die in Nederland ziek was geworden en een rugoperatie had ondergaan. De Raad oordeelde echter dat noch gesteld noch gebleken was dat de echtgenoot tijdens hun huwelijk in Nederland woonde of werkte. Deze omstandigheden leiden niet tot het aannemen van verzekerings- of woonperioden die recht geven op AOW.

De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de AOW-aanvraag en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag van de AOW-uitkering is terecht afgewezen omdat de echtgenoot tijdens het huwelijk niet in Nederland woonde of werkte.

Uitspraak

17.1440 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2017, 16/5962 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 6 september 2018
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: W.M. Swinkels
Ter zitting is verschenen: mr. A. Marijnissen namens de Svb

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Appellante heeft op 21 december 2015 een aanvraag ingediend om een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 9 maart 2016 heeft de Svb de aanvraag afgewezen.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 12 juli 2016 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante niet verzekerd is geweest voor de AOW. De overleden echtgenoot is weliswaar in het verleden een periode verzekerd geweest voor de AOW, maar appellante was in deze periode nog niet met hem gehuwd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanvraag van het pensioen terecht is afgewezen omdat appellante niet zelf in Nederland heeft gewoond of gewerkt en zij niet heeft aangetoond dat haar echtgenoot tijdens hun huwelijk in Nederland woonde of werkte.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op een AOW‑pensioen. Appellante heeft aangevoerd dat zij vanaf 1 november 1977 gehuwd is geweest met haar echtgenoot. Deze heeft appellante al lang geleden bij de Svb aangemeld. De echtgenoot is in Nederland ziek geworden en heeft daar een rugoperatie ondergaan.
De Svb heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet zelf in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Het geschil is daarom beperkt tot de vraag of appellante op grond van artikel 21 van Pro het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV) recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW.
Appellante heeft niet betwist dat zij nog niet met haar (latere) echtgenoot was gehuwd in de periode van 21 mei 1965 tot 27 oktober 1969, waarin de echtgenoot verzekerd was voor de AOW op grond van werken of (ook) wonen in Nederland. Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoot in de periode vanaf 1 november 1977, waarin zij met hem gehuwd was, in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Daaruit volgt dat in de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit terecht is aangenomen dat de echtgenoot tijdens hun huwelijk niet in Nederland woonde of werkte.
Aan deze conclusie doet niet af dat de echtgenoot appellante al lang geleden zou hebben aangemeld of dat de echtgenoot tijdens zijn verblijf in Nederland ziek is geworden en hier een rugoperatie heeft ondergaan. Deze omstandigheden kunnen er immers niet toe leiden dat sprake is van door appellante vervulde tijdvakken van het woonachtig zijn in Marokko welke gedurende hun huwelijk zijn vervuld en samenvallen met door de echtgenoot volgens de Nederlandse wettelijke regelingen vervulde tijdvakken van verzekering. Ingestemd wordt met het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag van het pensioen terecht is afgewezen.
Geconcludeerd wordt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) W.M. Swinkels (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

TM