ECLI:NL:CRVB:2018:2872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtbankuitspraak over hoogte AOW-pensioen en partnertoeslag
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW toe met een korting van 40% vanwege onverzekerde perioden. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het pensioen en het ontbreken van een partnertoeslag.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit deels en bepaalde dat appellant aanspraak heeft op 62% van het maximale pensioen voor een gehuwde, maar wees de partnertoeslag af omdat de regeling per 1 januari 2015 voor nieuwe gerechtigden is komen te vervallen. De Svb kon geen aanvullende verzekeringsjaren vaststellen, ondanks ingediende identiteitsbewijzen van werkgevers.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. Nadere onderzoeken tonen aan dat appellant niet voorkomt in de administratie van relevante pensioenfondsen voor de sector industriële reiniging en scheepsonderhoud. Ook de partnertoeslag wordt geweigerd omdat appellant pas vanaf oktober 2015 recht heeft op AOW, waardoor hij niet aan de voorwaarden voldoet. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pensioen vastgesteld op 62% van het maximale bedrag zonder partnertoeslag.