ECLI:NL:CRVB:2018:2868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2018
Publicatiedatum
20 september 2018
Zaaknummer
17/3400 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag bijzondere bijstand voor huisraad

Appellante diende meerdere aanvragen in voor bijzondere bijstand voor de vervanging van huisraad, waaronder een wasmachine en koelkast. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvragen af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat het feit dat appellante was verhuisd geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde, aangezien de eerdere aanvragen ook betrekking hadden op dezelfde gebruiksgoederen. Tevens werd vastgesteld dat appellante de apparaten bij de verhuizing had meegenomen, waardoor vervanging niet noodzakelijk was.

Appellante voerde aan dat haar financiële situatie onveranderd was en dat zij niet in staat was geld te reserveren, maar dit werd niet als nieuw feit beschouwd. Ook het argument dat het onderzoek onzorgvuldig was, werd verworpen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af zonder toekenning van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag bijzondere bijstand wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

17.3400 PW-PV

Datum uitspraak: 28 augustus 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2017, 16/6316 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: S.H.H. Slaats
Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 5 maart 2015 heeft het college een aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van vervanging van huisraad afgewezen. Bij besluit van
5 november 2015 heeft het college een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van vervanging van huisraad, te weten voor een wasmachine, een koelkast en bedden, afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de grond dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.
Bij besluit van 16 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college opnieuw een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een koelkast en een wasmachine afgewezen op de grond dat appellante na de eerdere besluitvorming geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De beroepsgrond van appellante dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag omdat zij is verhuisd en de aanvraag betrekking heeft op vervanging van de huisraad van haar nieuwe woning, slaagt niet. De eerdere aanvragen hadden eveneens betrekking op de kosten van een koelkast en een wasmachine. Het feit dat appellante is verhuisd, is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid die aanleiding geeft voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling. Daarbij is van belang dat appellante tijdens de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat zij de koelkast en wasmachine bij de verhuizing heeft meegenomen. Het is, anders dan appellante stelt, ook geen feit van algemene bekendheid dat gebruiksgoederen bij een verhuizing vervangen moeten worden.
Appellante heeft aangevoerd dat zij sinds december 2014 bijstand ontvangt en dat zij niet in staat was om geld te reserveren. Dit is echter geen nieuw feit of veranderde omstandigheid. De gestelde onmogelijkheid om te reserveren of om geld te lenen om de koelkast en de wasmachine te vervangen, bestond al ten tijde van de eerder besluitvorming. Wat appellante heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Daarvoor is onvoldoende dat appellante een alleenstaande moeder is met schulden en dat vervanging van de gebruiksgoederen noodzakelijk is. De beroepsgrond dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, kan evenmin slagen. Het ligt op de weg van appellante om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren te brengen. Dit heeft appellante echter niet gedaan. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag op grond van artikel 4:6, eerste lid,
van de Awb, met bijbehorende motivering, afgewezen. Dit betekent dat de overige gronden geen bespreking behoeven.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(get.) S.H.H. Slaats (get.) O.L.H.W.I. Korte
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep

LO