ECLI:NL:CRVB:2018:2486
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer op grond van Wuv wegens ontbreken oorzakelijk verband met oorlogsomstandigheden
Appellant, geboren in 1943 uit een gemengd huwelijk waarbij de vader joods was, vroeg op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) om toekenning van uitkeringen. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vervolging had ondergaan en omdat geen ziekten of gebreken waren vastgesteld die redelijkerwijs verband hielden met zijn oorlogsomstandigheden.
In beroep richtte appellant zich met name op het ontbreken van een verband tussen zijn botontkalking en de oorlogsomstandigheden. De Raad moest beoordelen of appellant met de vervolgde kon worden gelijkgesteld op grond van artikel 3, tweede lid, Wuv, waarbij een klaarblijkelijke hardheid moet worden voorkomen en de omstandigheden duidelijk ongunstiger moeten zijn dan die van andere gemengd gehuwden.
Medische adviezen van artsen Kho en Ohlenschlager concludeerden dat de lichamelijke klachten van appellant, waaronder epilepsie, reuma en botontkalking, niet in causaal verband staan met zijn oorlogsomstandigheden. De diagnose osteoporose werd verklaard door langdurig gebruik van Prednisolon vanwege reuma. Een reumatoloog kon geen duidelijk verband aantonen tussen de in de oorlog opgelopen rachitis en de huidige botontkalking.
De Raad achtte het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en onderbouwd door medisch advies, en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot gelijkstelling blijft in stand.