ECLI:NL:CRVB:2018:2479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in WMO-zaken ongegrond verklaard
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een WMO-zaak. De Centrale Raad van Beroep verklaarde zich op 16 februari 2018 onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen vanwege een wettelijk appelverbod zoals neergelegd in artikel 8:104, tweede lid, Awb.
Appellante deed verzet tegen deze onbevoegdverklaring en voerde aan dat dit een schending van fundamentele rechten betrof, waaronder artikel 6 EVRM Pro, en dat het verkeerde bestuursorgaan als partij was aangeduid. Tijdens de zitting op 7 juni 2018 was appellante aanwezig, maar de wederpartij niet.
De Raad oordeelde dat de aangevoerde gronden onvoldoende zijn om het appelverbod te doorbreken. Volgens vaste rechtspraak kan een appelverbod slechts worden doorbroken bij evidente schending van procesorde of fundamentele rechtsbeginselen, wat hier niet aan de orde was. De voorzieningenrechter had slechts een voorlopige voorziening beoordeeld, geen uitspraak in de hoofdzaak gedaan, zodat de rechtbank nog uitspraak moet doen over het beroep.
Het verzet werd derhalve ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan appellante opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.