ECLI:NL:CRVB:2018:2421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1 maart 2003 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Vanaf 1 april 2007 stond hij ingeschreven op een adres samen met zijn gehandicapte zoon. In 2015 stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in naar zijn woon- en leefsituatie, waarbij bleek dat op het uitkeringsadres ongeveer achttien personen stonden ingeschreven. Appellant legde op 21 juli 2015 een verklaring af waarin hij aangaf vanaf februari 2007 samen te wonen met [X] in België, maar deze verklaring trok hij later in.
De Svb trok de nabestaandenuitkering over de periode 1 maart 2007 tot en met 31 augustus 2008 in en vorderde het bedrag van €19.769,92 terug, omdat appellant niet had voldaan aan zijn mededelingsplicht over het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de verklaring van appellant, ondanks zijn intrekking, voldoende bewijs vormt dat hij vanaf februari 2007 met [X] een gezamenlijke huishouding voerde.
De Raad overwoog dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich vergist had in het tijdstip van samenwonen en dat hij zijn verklaring na lezing mede had ondertekend. Daarom werd het besluit van de Svb bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering worden bevestigd omdat appellant vanaf februari 2007 een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden.