ECLI:NL:CRVB:2018:2276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid over woonsituatie
Appellant heeft op 4 maart 2016 zich gemeld en op 1 april 2016 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet, waarbij hij verklaarde woonachtig te zijn op een opgegeven adres samen met zijn meerderjarige zoon. De gemeente Helmond heeft een onderzoek ingesteld, waaronder dossieronderzoek, huisbezoek, gesprekken met appellant en waarnemingen bij het opgegeven adres. Uit het onderzoek bleek onder meer een extreem laag waterverbruik, weinig lediging van de vuilcontainer, onregelmatige huurbetalingen en afwezigheid van de auto van appellant bij het opgegeven adres.
Op grond van deze bevindingen heeft het college de aanvraag afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de woonsituatie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk op het adres woonde en dat hij de onderzoeksbevindingen had betwist met foto’s en verklaringen, maar deze werden verworpen omdat de foto’s na het huisbezoek waren gemaakt en de verklaringen onvoldoende aannemelijk waren.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn informatieplicht en dat het college terecht het recht op bijstand niet kon vaststellen. De verklaringen van appellant over zijn verblijf bij vrienden en het gebruik van zijn auto waren niet consistent. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de woonsituatie van appellant.