ECLI:NL:CRVB:2018:2053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellante was werkzaam als algemeen medewerkster en meldde zich ziek met schouder- en psychische klachten. Een verzekeringsarts stelde vast dat zij een aanpassingsstoornis en fysieke beperkingen had, maar nog geschikt was voor haar eigen werk. Het Uwv wees de WIA-uitkering af en dit besluit werd ook in bezwaar en beroep gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat een verslag van een verzekeringsarts van 9 januari 2014 niet was meegewogen, waarin haar geschiktheid anders werd beoordeeld.
De Raad stelde vast dat het vermeende verslag van 9 januari 2014 waarschijnlijk een samenvatting was van een rapport van 4 maart 2013 en dat er geen bewijs was dat appellante op die datum was onderzocht. Ook werden de psychische klachten niet als zodanig ernstig beoordeeld dat zij haar belastbaarheid overschreden.
De Raad concludeerde dat appellante geschikt is voor haar eigen werk en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek tot vergoeding van schade werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op WIA-uitkering omdat zij geschikt is voor haar eigen werk.