ECLI:NL:CRVB:2018:2051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AOW-aanvraag wegens ontbreken verzekeringsperiode in Nederland
Appellant heeft in oktober 2013 een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij tussen 1990 en 1994 in Nederland werkzaam was en daardoor verzekerd zou zijn geweest. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat appellant niet in het bevolkingsregister stond ingeschreven en niet bekend was bij relevante pensioenfondsen en het bedrijf waar hij zou hebben gewerkt.
De rechtbank Amsterdam bevestigde deze afwijzing, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens het hoger beroep werd vastgesteld dat appellant niet aanwezig was en dat de Svb een zorgvuldig onderzoek had verricht, waaronder navraag bij de gemeente Rotterdam, het Bedrijfspensioenfonds voor de Metalektro, het genoemde bedrijf en het uitzendbureau.
De Raad concludeerde dat appellant geen bewijs had geleverd ter ondersteuning van zijn stellingen en dat het niet aannemelijk was dat hij in de periode 1990-1994 in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en de afwijzing van de AOW-aanvraag gehandhaafd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: De aanvraag van het AOW-pensioen wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verzekerd was tussen 1990 en 1994.