ECLI:NL:CRVB:2018:1786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet duurzaam gescheiden leven van echtgenoten
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet. Na onderzoek door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam bleek dat appellante en haar wettelijk gehuwde echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden, omdat hij regelmatig op het uitkeringsadres verbleef en betrokken was bij de zorg voor de kinderen.
Het college trok de bijstand met ingang van 20 januari 2016 in, omdat appellante geen melding had gemaakt van het niet duurzaam gescheiden leven. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij en haar echtgenoot wel duurzaam gescheiden leefden, omdat zij op aparte adressen woonden en hij slechts incidenteel verbleef.
De Raad oordeelde dat de feitelijke omstandigheden, waaronder huisbezoeken waarbij de echtgenoot werd aangetroffen en verklaringen over zijn aanwezigheid, onvoldoende waren om van duurzaam gescheiden leven te spreken. Ook het argument dat het verblijf van de echtgenoot alleen voor de kinderen was en er geen financiële verstrengeling was, was niet relevant voor de beoordeling. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet duurzaam gescheiden leven van appellante en haar echtgenoot wordt bevestigd.