ECLI:NL:CRVB:2018:1719

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2018
Publicatiedatum
12 juni 2018
Zaaknummer
16-7191 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:109 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6 EVRMArt. 48 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaald griffierecht

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht van €124,- niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Appellant stelde in verzet dat hij door gezondheidsproblemen niet in staat was het griffierecht te betalen en dat het heffen van het griffierecht zijn toegang tot de rechter belemmerde, met een beroep op artikel 6 EVRM Pro en artikel 48 Handvest Pro van de grondrechten van de EU.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen. De gezondheidsproblemen waren niet met bewijsstukken onderbouwd en appellant had zich niet binnen de betalingstermijn op betalingsonmacht beroepen.

Het betoog dat het griffierecht de toegang tot de rechter belemmerde, slaagde niet omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in onmacht verkeerde om tijdig te betalen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht wordt terugbetaald aan appellant en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt terugbetaald.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 juni 2018
16/7191 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 november 2016, 16/1035 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 mei 2017 heeft de Raad het door de gemachtigde van appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 1 mei 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Unsanmaz. De Svb is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 12 mei 2017 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 5 januari 2017 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellant te kennen gegeven dat hij kampt met gezondheidsproblemen en dat hij om die reden niet in staat was het griffierecht te betalen. Ook stelt appellant zich op het standpunt dat de toegang tot de rechter niet mag worden beperkt omdat hij het griffierecht niet heeft betaald. Naar de mening van appellant is sprake van schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro in verbinding met artikel 48 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
In verzet zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Uit de geschetste omstandigheden blijkt niet dat appellant de gehele betalingstermijn niet in staat was het griffierecht te betalen. De gezondheidsproblemen van appellant zijn niet met bewijsstukken onderbouwd. Waar het betreft de stellingname dat de hoogte van het griffierecht in het geval van appellant de toegang tot de rechter belemmert en dat dit strijd oplevert met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, slaagt dit betoog niet. Niet alleen heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen, ook heeft hij zich niet binnen de betalingstermijn op betalingsonmacht beroepen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:109, eerste lid, aanhef en onder a, Awb geheven griffierecht van
€ 124,- appellant wezenlijk heeft belemmerd in zijn recht op toegang tot de rechter.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 124,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- door de griffier van de Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

RH