Uitspraak
16.3377 NIOAW
.Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanović. In de zaak 16/6386 NIOAW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds december 2013 een uitkering op grond van de IAOW en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na signalen dat appellant niet op dat adres woonde, werd een onderzoek ingesteld door de sociale recherche. Naar aanleiding daarvan blokkeerde het college de uitkering vanaf maart 2015 en trok deze later met terugwerkende kracht in per december 2013.
Appellant maakte bezwaar tegen de blokkering, maar dit werd ongegrond verklaard door het college. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze blokkering eveneens ongegrond. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat de blokkering onterecht was, maar gaf ter zitting aan dat hij geen belang had bij de beoordeling van het hoger beroep indien de intrekking van de uitkering stand zou houden.
De Raad oordeelde dat procesbelang ontbreekt wanneer het beoogde resultaat niet kan worden bereikt en dat louter formeel belang onvoldoende is. Omdat de intrekking van de uitkering in stand bleef en appellant geen belang had bij de blokkering, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.