ECLI:NL:CRVB:2018:1557

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2018
Publicatiedatum
29 mei 2018
Zaaknummer
17/2162 MPW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in ambtenarenzaak

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar dit hoger beroep werd door de Raad van 16 november 2017 niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend.

Appellant stelde verzet in tegen deze beslissing, stellende dat de uitspraak op zijn beroep niet was meegezonden in de enveloppe met andere uitspraken, waardoor tijdige kennisname en tijdige indiening van het hoger beroep niet mogelijk was.

De Raad oordeelde dat de omstandigheden rondom de verzending en ontvangst van de uitspraken aanleiding geven om niet te concluderen dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Het enkele feit dat de gemachtigde had kunnen signaleren dat de uitspraak niet was ontvangen, is onvoldoende om het hoger beroep alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Daarom werd het verzet gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt voortgezet.

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 mei 2018
17/2162 MPW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van
de rechtbank Den Haag van 30 november 2016, 16/628 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 16 november 2017 heeft de Raad het namens appellant door
mr. H. Nummerdor-Buijs ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant heeft mr. Nummerdor-Buijs verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 1 mei 2018. Voor appellant is mr. Nummerdor-Buijs verschenen. De Minister van Defensie heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen. Het onderzoek ter zitting is geschorst. De gemachtigde van appellant is
in de gelegenheid gesteld nader onderzoek te doen naar wijzen van verzending van de uitspraken die deel uitmaken van het zogeheten UGM-cluster. Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 16 november 2017 berust op de overwegingen dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
In verzet voert appellant aan dat de rechtbank op verschillende data uitspraken heeft gedaan op beroepen van gewezen militairen. Op 30 november 2016 zijn uitspraken gedaan in
28 zaken. De gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat de op appellant betrekking hebbende uitspraak niet was meegezonden in de enveloppe waarin de overige op die dag op het UGM-cluster betrekking hebbende zaken aan haar zijn verzonden.
Vast staat dat wel was meegezonden een aan de gemachtigde van appellant gericht begeleidend schrijven, waarin te kennen wordt gegeven dat uitspraak is gedaan op het beroep van appellant, dat een afschrift daarvan is toegestuurd en dat daartegen hoger beroep kan worden ingesteld. Ook staat vast dat de aangetekend verzonden enveloppe door de gemachtigde is ontvangen.
In verzet is verder aangevoerd dat desondanks niet kan worden uitgesloten dat de op appellant betrekking hebbende uitspraak niet is meegezonden in deze enveloppe, nu geen overzichtslijst is meegestuurd van de uitspraken die in deze enveloppe zijn opgenomen. Voorts is opgemerkt dat de rechtbank verschillende methoden van verzending heeft toegepast voor de verzending van de uitspraken, die op de andere dagen zijn gedaan. De kans op fouten bij het op deze wijze aangetekend verzenden neemt daardoor toe.
De door de gemachtigde van appellant aangevoerde omstandigheden geven aanleiding om te oordelen dat zich geen situatie voordoet dat het hoger beroep kennelijk niet ontvankelijk moet worden verklaard. Het enkele gegeven dat de gemachtigde van appellant had kunnen signaleren dat de uitspraak van appellant niet was ontvangen maakt dat niet anders.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van
16 november 2017 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

LO