ECLI:NL:CRVB:2018:1535
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken hoger beroep
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke procedure tussen verzoekster en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Verzoekster had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Tijdens de zitting verscheen verzoekster niet.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 8:104, 8:108 en 8:81) een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien er hoger beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dat vereist. Echter, inmiddels was het hoger beroep in de bodemprocedure verworpen en was het niet langer aanhangig.
Daardoor ontbrak de noodzakelijke voorwaarde voor het treffen van een voorlopige voorziening, namelijk dat het hoger beroep nog aanhangig is. De voorzieningenrechter verklaarde daarom het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig hoger beroep.